DE FLITSEN

 

 

VIERDE SUBTILITEIT

 

بِسْمِ اللّٰهِ الرَّحْمٰنِ الرَّحٖيمِ

وَاَنْزَلْنَا الْحَدِيدَ فِيهِ بَأْسٌ شَدِيدٌ وَمَنَافِعُ لِلنَّاسِ

 

Dit is een beknopt antwoord op een vraag die van groot belang is geworden — een vraag waarmee een vooraanstaand en in de moderne wetenschappen onderlegd persoon enkele imams tot zwijgen bracht.

 

Vraag: het ijzer komt uit de aarde; het daalt niet van boven neer, zodat men zou kunnen zeggen: اَنْزَلْنَا ‘Wij hebben het neergezonden’. Waarom heeft de Koran niet gezegd: اَخْرَجْنَا ‘Wij hebben het voortgebracht’, maar in plaats daarvan het woord اَنْزَلْنَا ‘Wij hebben het neergezonden’ gebruikt, dat uiterlijk niet passend lijkt?

 

Antwoord: de wonderbaarlijke Koran gebruikt het woord ‘Wij hebben neergezonden’ (anzalnā) om te wijzen op de grote en zeer belangrijke gunst die in het ijzer besloten ligt. Het vers wil niet slechts de stof van het ijzer onder de aandacht brengen, zodat het zou zeggen: ‘Wij hebben het voortgebracht’ (ekhradjnā). Integendeel, het herinnert aan de grote gunst die in het ijzer ligt en aan de mate waarin de mensheid ervan afhankelijk is.

 

Een gunst stijgt niet van beneden naar boven, maar komt uit de schatkamer van de barmhartigheid. De schatkamer van barmhartigheid bevindt zich vanzelfsprekend op een verheven en geestelijk hoge rang. Daarom komt de gunst van boven naar beneden, terwijl de behoeftige mens zich op een lagere rang bevindt. Het schenken van een gunst staat dus boven de behoefte. Daarom is de juiste uitdrukking voor het komen van een gunst uit de schatkamer van barmhartigheid om de menselijke behoefte te ondersteunen: ‘Wij hebben neergezonden’, en niet ‘Wij hebben voortgebracht’.

 

Bovendien worden geleidelijke voortbrengingen door menselijke handen verricht; daarom zou het woord ‘voortbrengen’ het aspect van goddelijke schenking niet duidelijk maken voor een achteloze blik.  

 

Als de Koran alleen de materiële aard van het ijzer bedoelde, zou vanuit materieel oogpunt de uitdrukking ‘voortbrengen’ passend kunnen zijn. Maar de eigenschap van het ijzer en de betekenis die hier bedoeld wordt — namelijk de goddelijke gunst — is geestelijk van aard. Deze betekenis ziet niet op plaats, maar op een geestelijke rang.

 

Een gunst die voortkomt uit de schatkamer van barmhartigheid — een manifestatie van de oneindig verheven rang van de Barmhartige — wordt uiteraard van de hoogste rang naar de laagste gezonden. Daarom is de juiste uitdrukking “Wij hebben neergezonden”. Met deze uitdrukking herinnert de Koran de mensheid eraan dat het ijzer een van de grootste goddelijke gunsten is.

 

Inderdaad, het ijzer is de bron van alle menselijke kunsten, de oorsprong van de vooruitgang en de grondslag van menselijke kracht.

 

Om deze grote gunst te benadrukken spreekt de Koran op de plaats van goddelijke schenking en gunst met majestueuze nadruk. Zo verkondigt Hij het grote wonder van de profeet Dāwūd met de woorden:

وَاَلَنَّا لَهُ الْحَدِيدَ

Dat wil zeggen dat aan een grote profeet, als een groot wonder en een grote gunst, het verzachten van ijzer werd geschonken.