DE BRIEVEN

De Twaalfde Brief

Maar wat de mens betreft, zijn vooruitgang en zijn verval kennen geen grenzen. Hij beschikt over een ontwikkelingsniveau dat zich uitstrekt van de Nimrod’s en Farao’s tot en met de trouwhartige ewliyā’s en profeten.

Inderdaad, door de schepping van de duivel, door het geheim achter de beproeving en door de zending van profeten, is er een plaats van beproeving geopend waarin de kostbare diamantachtige zielen worden onderscheiden van de steenkoolachtige zielen. Als er geen streven en geen wedijver bestond, dan zouden de verschillende potentiële begaafdheden in de mijn van de mensheid, die op diamanten en steenkolen lijken, gelijk blijven. Dan zouden de ziel van Ebu Bekr-i Siddīq, die zich in alāy-i illiyyīn bevindt, en de ziel van Ebu Djehl, die zich in esfel-i sāfilīn bevindt, op hetzelfde niveau zijn gebleven.

Aangezien het scheppen van de duivel en het kwaad zich uitstrekken tot grote en alomvattende doelen, is hun creatie op zich geen kwaad en niet lelijk. Maar door het misbruik van de menselijke wil en door het persoonlijke aandeel van de mens dat kesb (het verwerven) wordt genoemd, ontstaat het kwade. Dat behoort tot de mens, niet tot de goddelijke schepping.

Nu kan men de volgende vraag stellen: ondanks de zending van profeten wordt de meerderheid van de mensheid, door het bestaan van de duivels, ongelovig. Als de meerderheid van de mensen hierdoor schade lijdt, kan men dan volgens het principe “het eindoordeel wordt getrokken volgens de meerderheid” niet zeggen dat het scheppen van het kwade zelf kwaad is, en zelfs dat de zending van profeten geen teken van barmhartigheid is?

Het antwoord: kwantiteit heeft geen belang ten opzichte van kwaliteit. Het werkelijke accent ligt volledig op kwaliteit.

Bijvoorbeeld, stel dat iemand honderd dadelpitten bezit. Als hij ze niet in de grond stopt, ze niet begiet en zo het groeiproces en de strijd om te overleven niet op gang brengt, dan zou de waarde van deze dadelpitten nog geen honderd munten zijn. Maar als hij ze wel in de aarde stopt, ze met water begiet en zo de levensstrijd begint, waarbij tachtig pitten vanwege hun zwakke kwaliteit bederven en slechts twintig pitten uitgroeien tot vruchtdragende dadelpalmen, dan zal niemand zeggen: “Het begieten was slecht, want tachtig van de honderd zaden zijn verloren gegaan.” Immers, uit die twintig dadelpalmen zijn twintigduizend dadels voortgekomen. Er is geen werkelijk kwaad of verlies als men tachtig zaden verliest, maar er twintigduizend voor terugkrijgt.