DE FLITSEN

 

 

بِاسْمِهٖ سُبْحَانَهُ

وَاِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلاَّ يُسَبِّحُ بِحَمْدِهِ

اَلسَّلاَمُ عَلَيْكُمْ وَرَحْمَةُ اللّٰهِ وَبَرَكَاتُهُ

 

Mijn eerbiedwaardige, toegewijde, trouwe en oprechte broeders Hoca Sabri en Hafiz Ali,

 

Jullie belangrijke vraag over het vers aan het einde van Soera Loqmān, betreffende de Vijf Ongeziene Zaken (Mughayyebāt-i Khamse), vereist eigenlijk een uitvoerig en diepgaand antwoord. Helaas laten mijn huidige gemoedstoestand en mijn  lichamelijke omstandigheden dat niet toe. Daarom zullen wij slechts zeer beknopt op één of twee punten van jullie vraag wijzen.

 

Uit de strekking van jullie vraag blijkt dat de ontkenners in kritische zin bezwaar hebben gemaakt tegen twee zaken die tot de Mughayyebāt-i Khamse behoren, namelijk het tijdstip van de neerdaling van de regen en de toestand van het kind in de moederschoot.

 

Ze zeggen:

 

“Met behulp van instrumenten in meteorologische observatoria kan het tijdstip van regenval worden vastgesteld. Dat wordt dus niet alleen door Allah geweten. En door middel van röntgenstralen kan worden vastgesteld of het kind in de moederschoot mannelijk of vrouwelijk is. Blijkbaar kan men dus kennis nemen van de Vijf Ongeziene Zaken.”

 

Antwoord: omdat het tijdstip waarop de regen neerdaalt niet aan een vaste wet gebonden is, maar rechtstreeks samenhangt met de bijzondere wil van Allah en afhankelijk is van een specifieke beschikking uit de schatkamer van Zijn barmhartigheid, ligt daarin een diepe wijsheid.

 

De belangrijkste en meest waardevolle werkelijkheden in het universum zijn licht, bestaan, leven en barmhartigheid. Deze vier staan zonder sluier of tussenkomst rechtstreeks in verband met de goddelijke macht en de bijzondere goddelijke wil. Bij andere schepselen vormen uiterlijke oorzaken als het ware een sluier voor die macht, en vaste wetten en regelmatigheden bedekken in zekere mate de goddelijke wil. Maar bij bestaan, leven, licht en barmhartigheid zijn zulke sluiers niet aanwezig, omdat de wijsheid achter het instellen van dergelijke tussenmiddelen hier niet geldt.

 

Aangezien binnen het bestaan de belangrijkste werkelijkheden leven en barmhartigheid zijn, en regen de bron van het leven en een uiting van barmhartigheid is – zelfs de belichaming van barmhartigheid — kunnen hier geen middelen als sluier optreden en kan vaste regelmaat de bijzondere goddelijke wil niet verbergen.