DE FLITSEN
Met andere woorden: tijdens een periode van intense zomerse hitte, waarin de omliggende moerassen langs de kusten van de Atlantische Oceaan verdampten, leek een deel van die oceaan op afstand voor Zul-QarnaynEen rechtvaardige heerser genoemd in soera al-Kahf (18:83–98), die leefde in de tijd van profeet Ibrahim (as). op een groot bassin of een bron. In zijn uiterlijke waarneming zag hij daar de zon ondergaan, of zag hij haar verdwijnen achter de vurige opening van een vulkanische berg die stenen, aarde en minerale wateren uitspuwde.
Inderdaad, de wonderbaarlijke welsprekendheid van de Koran onderwijst met deze uitdrukking vele betekenissen.
Allereerst wijst zij erop dat Zul-Qarnayns reis naar het westen samenviel met een periode van intense hitte, moerassige gebieden, zonsondergang en vulkanische activiteit — en aldus duidt zij op grote en leerzame gebeurtenissen, zoals de volledige doorkruising van Afrika.
Het is bekend dat de zichtbare beweging van de zon slechts schijnbaar is en in werkelijkheid wijst op de verborgen beweging van de aarde. De werkelijke ondergang van de zon wordt hier niet bedoeld. Het woord “bron” is hier een vergelijking; van verre kan een grote zee lijken op een kleine vijver.
Vanuit de geheimen van de welsprekendheid is het uiterst betekenisvol en passend om een zee, die achter door hitte ontstane dampen en nevels zichtbaar wordt, te vergelijken met een modderige bron en daarbij het woord ‘ayn te gebruiken, dat in het Arabisch zowel “bron”, “oog” als “zon” kan betekenen.
Zoals het voor Zul-QarnaynEen rechtvaardige heerser genoemd in soera al-Kahf (18:83–98), die leefde in de tijd van profeet Ibrahim (as). op afstand zo leek, zo spreekt de hemelse toespraak van de Koran — die van de arshul-azamLetterlijk de Geweldige Troon. Een plaats waar de grootheid en de verhevenheid van Allah zich in de meest ultieme vorm manifesteren. neerdaalt en het woord is van Degene Die de hemellichamen bestuurt — over de gehoorzame zon, die in het gastenverblijf van de Barmhartige als een lamp dienstdoet, alsof zij ondergaat in een bron zoals de Atlantische Oceaan. Deze wijze van spreken past bij haar grootheid en verhevenheid. Met haar wonderbaarlijke stijl toont zij de zee als een warme bron en een dampend oog; en zo verschijnt zij aan hemelse blikken.
Kortom: de aanduiding van de Atlantische Oceaan als een “modderige bron” verwijst naar hoe deze grote zee, vanuit het gezichtspunt van Zul-QarnaynEen rechtvaardige heerser genoemd in soera al-Kahf (18:83–98), die leefde in de tijd van profeet Ibrahim (as). en op grote afstand, als een bron kon lijken. Maar de blik van de Koran — die alles nabij is — kan niet gebonden zijn aan de beperkte waarneming van een mens.
Integendeel, aangezien het perspectief van de Koran de hemelen omvat, ziet zij de aarde soms als een veld, soms als een paleis, soms als een wieg en soms als een bladzijde. Daarom noemt zij de met mist en damp bedekte Westelijke Atlantische Oceaan een “bron” — hetgeen de grootheid van haar verhevenheid toont.
---------------------------------
Voetnoot: De uitdrukking عَيْنٍ (ʿayn) in
فِى عَيْنٍ حَمِئَةٍ (fī ʿaynin hamieh)
bevat, vanuit de geheimen van de welsprekendheid, een subtiele aanduiding. Zij wijst er als het ware op dat, nadat het gelaat van de hemel met het oog van de zon de schoonheid van de goddelijke barmhartigheid op aarde heeft aanschouwd, en de aarde met het oog van de zee de goddelijke majesteit in de hemelen heeft aanschouwd, deze twee ogen zich in elkaar sluiten, waardoor ook de ogen op het aardse gelaat sluiten. Zo wordt met één wonderbaarlijk woord in herinnering gebracht dat, wanneer die twee ogen zich sluiten, ook de ogen op het aardse gelaat sluiten — als een teken dat hun waarnemingstaak ten einde is.