DE BRIEVEN

De Achtiende Brief

Zo zijn ook de beschrijvingen van sommige ehl-i kashf over de zeven lagen van de aarde. Zij hebben ons daarover bericht zonder deze te toetsen op de weegschaal van de Koran en de soenna. Zij houden geen rekening met de materiële verhoudingen, die alleen vanuit het perspectief van de geografie beoordeeld worden. Zij hebben bijvoorbeeld gezegd: “Een van de lagen van onze aarde is de laag van de djinns en de demonen; deze strekt zich in de breedte uit over een afstand van duizenden jaren.” Maar op onze aardbol, die men in één of twee jaar kan omreizen, kunnen zulke merkwaardige lagen helemaal niet bestaan.

Maar wanneer wij onze aardbol in ālem-i mānā, in ālem-i misāl, in ālem-i berzakh en in ālem-i erwāh als een zaadkorrel van een dennenboom voorstellen, dan ontstaat en ontwikkelt zich daaruit het beeld van de boom die, in verhouding tot dat zaadje, zo groot is als een reusachtige dennenboom. Daarom zien sommige van ehl-i shuhūd tijdens hun spirituele reizen bepaalde lagen van de aarde in ālem-i misāl als buitengewoon uitgestrekt. Deze lagen verschijnen hun alsof zij zich uitstrekken over een reis van duizenden jaren. Wat zij zien, is in wezen juist. Maar omdat ālem-i misāl in haar vormen en gedaanten op de materiële wereld lijkt, aanschouwen zij beide werelden vermengd met elkaar en interpreteren zij die waarneming op diezelfde gemengde manier. Wanneer zij vervolgens terugkeren naar onze alledaagse wereld en hun ervaringen nauwkeurig onder woorden brengen, lijkt het alsof die uitspraken in strijd zijn met de realiteit, omdat hun beschrijvingen niet in evenwicht zijn met de wereldse wijsheid.

Inderdaad, zoals het beeld van een groot paleis met een uitgestrekte tuin in een kleine spiegel kan verschijnen, zo kunnen binnen een afstand van één jaar in onze materiële wereld de evenbeelden en spirituele werkelijkheden met een omvang van duizenden jaren hun plaats vinden.

Kortom, uit deze vraagstelling blijkt dat het niveau van spirituele waarnemingen veel lager staat dan dat van het geloven in ghayb. Met andere woorden, de soms onduidelijke onthullingen van enkele ewliyā’s, die uitsluitend op spirituele waarneming berusten, kunnen niet het niveau bereiken van de zuivere, alomvattende en waarheidsgetrouwe oordelen van de asfiyā’s en muhaqqiqīn. Want zij oordelen over de geloofswaarheden, die weliswaar tot ghayb behoren, door op de Koran en openbaring te steunen, en niet op spirituele waarneming.

Daarom berust de beoordeling van alle toestanden en spirituele ontdekkingen, van alle spirituele vreugden en waarnemingen uiteindelijk op de Koran en de soenna. De maatstaf daarvoor zijn de heilige principes van de Koran en de soenna, en de helder en zuiver overgeleverde leerstellingen van de asfiyā’s, die de waarheden staven met hun bewijzen.