DE BRIEVEN
De Achtiende Brief
Zo is ‘de Hoofdweg’ inderdaad de weg van de ashābMetgezellen van de Profeet (saw), de tābiīnDe opvolgende generatie van de metgezellen van de Profeet (saw). en de asfiyāDe ware onderzoeker en de ware geleerde te midden van de ewliyā’s.’s. Hun algemeen geldende basisprincipe is
حَقَٓائِقُ الْاَشْيَٓاءِ ثَابِتَةٌAl het bestaan heeft een vaste waarheid. – Zie Omar en-Nesefī, el-Akāid, 1
In overeenstemming met het vers
لَيْسَ كَمِثْلِهِ شَيْءٌEr is niets dat gelijk is aan Hem.” – De Koran 42:11
bestaat er niets dat aan Hem gelijk of vergelijkbaar is. Hij is verheven boven categorieën als plaats en splitsing. Zijn relatie met de schepping is dat Hij de Schepper ervan is. De schepping is geen voorstelling en geen verbeelding, zoals de aanhangers van wahdetul-wudjūdEen leerschool die alles in vergelijking met het bestaan van Allah als een schaduw ziet. De volgelingen van deze leerschool beweren dat alles buiten Allah geen waarde heeft om als een vorm van bestaan beschouwd te kunnen worden. dat zeggen. Ook al het zichtbare is het werk van Allah de Rechtvaardige. Alles is niet ‘Hij’, maar alles is ‘van Hem’ afkomstig! Want het geschapene kan nooit zonder begin zijn. Wij zullen deze kwestie met behulp van twee vergelijkingen enigszins dichter bij het begrip brengen.
De eerste vergelijking:
Bijvoorbeeld, er is een sultan. In zijn naam ‘de Rechtvaardige Rechter’ heeft hij een ministerie van Justitie, dat aan hem toebehoort en de manifestatie van die naam vormt. Een andere naam van hem is ‘de Kalief’. Onder deze naam treden het ministerie van Religieuze Zaken en het ministerie van Wetenschappen naar voren als manifestaties. Ook draagt hij de naam ‘de Opperbevelhebber’. Onder deze naam verricht hij zijn werkzaamheden op militair gebied, en het leger handelt in die hoedanigheid namens hem.
Stel nu dat iemand verschijnt die zegt: “Deze sultan is alleen een rechtvaardige rechter; er bestaat geen ander ambt dan het ministerie van Justitie.” In dat geval zouden de eigenschappen en functies van de geleerden die werkzaam zijn bij het ministerie van Religieuze Zaken – niet in de werkelijkheid, maar slechts in theorie – aan de ambtenaren van Justitie moeten worden toegeschreven. Het ministerie van Religieuze Zaken zou dan niet meer dan een denkbeeldig bestaan hebben binnen het werkelijke ministerie van Justitie. Op vergelijkbare wijze zouden dan alle aangelegenheden en activiteiten op militair gebied onder het ministerie van Justitie worden ondergebracht, als een soort irreëel en slechts in de voorstelling bestaand ministerie van Defensie, enzovoort.
Zo zou in deze redenering uiteindelijk alleen de naam ‘de rechtvaardige rechter’ als werkelijke naam van de sultan overblijven, en zijn echte heerschappij zou uitsluitend gekoppeld zijn aan het ministerie van Justitie. Namen als kalief, opperbevelhebber en sultan zouden dan niet werkelijk, maar hypothetisch zijn. Maar het wezen van de waardigheid van de sultan en de realiteit van zijn heerschappij vereisen juist dat al zijn namen werkelijk zijn. En waar de namen werkelijk zijn, vereisen zij dus ook werkelijke ministeries.