DE BRIEVEN
De Twintigste Brief
De eerste vergelijking: stel dat een doorschijnend, glanzend deeltje aan zichzelf wordt overgelaten, dan kan het zelfs geen lichtvonkje, ter grootte van een luciferkop, in zich opnemen om als bron te dienen. Het kan, overeenkomstig zijn eigen grootte en vermogen, hoogstens een klein eigen lichtje dragen dat past bij zo’n nietig deeltje.
Maar wanneer dat deeltje zich tot de zon wendt en ermee in verbinding treedt, dan kan het de reusachtige zon – met haar stralen, haar zeven kleuren, haar warmte, zelfs met de indruk van haar enorme afstand – in zich opnemen en op die wijze een grote weerspiegeling van haar tonen.
Dus, als zo’n deeltje aan zichzelf wordt overgelaten, kan het slechts iets in de maat van zichzelf verrichten. Maar wanneer het als ambtenaar van de zon en als haar spiegel wordt beschouwd, kan het daarentegen kleinen voorbeelden van de eigenschappen van de zon tonen.
وَلِلّٰهِ الْمَثَلُ الْاَعْلٰىEn de meest verheven eigenschappen behoren Allah toe. – De Koran 16:60
Zo ook, als het scheppen en besturen van het gehele bestaan –zelfs van één enkel deeltje– aan oorzaken, aan zichzelf, of aan iets of iemand anders dan Allah zou worden toegeschreven, dan zou elk deeltje en elk schepsel ofwel een alomvattende kennis en een absolute macht moeten bezitten, ofwel oneindig veel onzichtbare machines en drukkerijen in zich moeten dragen, om de wonderlijke opdrachten te kunnen uitvoeren die eraan worden toevertrouwd.
Maar wanneer deze deeltjes aan Wāhid-i EhadAllah, Die één is en Wiens eenheid in alles zichtbaar is. worden toegeschreven, dan treedt elk kunstwerk en elk deeltje in verbinding met Hem en functioneert het als Zijn ambtenaar. Dit toebehoren maakt het mogelijk dat elk deeltje de manifestaties van Zijn namen weerspiegelt. En door die verbondenheid kan elk deeltje steunen op Zijn onbeperkte kennis en macht.
Met het geheim van deze verbondenheid kan elk deeltje, met de kracht van zijn Schepper, handelingen en taken verrichten die miljoenen malen boven zijn eigen kracht ligt.
De tweede vergelijking: bijvoorbeeld, er waren twee broeders. Eén van hen was dapper en zeker van zichzelf, de andere was vol enthousiasme en met toewijding aan zijn land verbonden. In tijden van oorlog vormde degene die alleen op zichzelf vertrouwde geen band met zijn land, hij wilde de zaken zelf regelen. Daarom moest hij zijn eigen middelen, uitrusting en bewapening op zichzelf nemen en, naargelang zijn eigen kracht, alles zelf dragen. Met die kleine, individuele kracht kon hij hoogstens tegen één korporaal van het vijandelijke leger strijden, verder reikte hij niet.